Brieven aan dode schrijvers - F. Pessoa 1

Kreeftstraat Antwerpen, 02-08-‘21

Beste Heer Pessoa,

Dag Fernando,


Ik weet nog niet goed hoe ik u zal adresseren, of ik u zal vous- of tutoyeren. In uw tijd werd er ongetwijfeld nog aanstoot genomen aan gebruik van een incorrecte aanspreekvorm. Ik schrijf u echter zo’n honderd jaar later, bijna 86 jaar na uw dood, een antwoord verwacht ik dus niet. Hoe ik u aanspreek zal eenrichtingsverkeer zijn en dus enkel afhangen van hoe mijn vertrouwdheid met u evolueert. Bij deze weet u meteen dat ik van plan ben vaker te schrijven, al meld ik er meteen bij dat ik niet goed ben in het volhouden van voornemens. Ik hoop dat u dus niet teleurgesteld bent in de frequentie van mijn schrijven. Ondertussen ben ik er wel uit dat u wil aanschrijven met Fernando, het lijkt me een eerste stap om dichter tot u te komen, wat tenslotte het doel van mijn schrijven is.


Vandaag las ik in uw notities dat “precies het tegenovergestelde doen van wat iedereen doet, even verwerpelijk is als iets doen omdat iedereen het doet”. U geeft aan dat dit zo is omdat het in beide gevallen draait om “de ander” en “voor een superieur mens bestaat de ander niet”. Ik weet niet of u uzelf al als een superieur mens beschouwt of dat u ernaar streeft omdat te zijn want wat ik me dan afvraag, Fernando, is hoe u men dit dan kan verenigen om het schrijverschap? Zou u wel schrijven als u werkelijk geloofde als de ander niet bestond? Waarom schrijven wij? Waarom schrijft u? Ik vind vast het antwoord wel in één van u notities maar sta me toe even verder te denken.

Ligt de kern van schrijven niet juist ergens op de grens tussen ‘het ik’ en ‘de ander’? Of toch op z’n minst bij de zoektocht naar die grens: waar stop ik en begint de ander? Schrijven start wanneer je aan jezelf niet genoeg hebt en je wilt uitbreiden, gebied wil winnen. Maar om uit te breiden moet je contact leggen, bruggen bouwen en hiervoor zijn er dus woorden nodig.

Het moment dat ik genoeg zou hebben aan mezelf of zou weten waar mijn begrenzing ligt of, zoals u formuleerde, ik niet zou geloven dat er buiten mezelf nog iets anders is, zouden de woorden in me sterven en zou ik de pen niet meer opnemen. Of de laptop niet meer openen, zoals we dat in mijn tijd doen.

Net zoals er honderden jaren geleden geen schepen zouden zijn uitgevaren als men niet geloofde dat er niet nog iets anders om te ontdekken was, als er geen land was achter al dat water.


Wat me nu bezig houdt, Fernando, gelooft u werkelijk dat er niets meer is aan de andere kant van de zeeën die uw ‘ik’ omringen, dat u het enige eiland bent? En bent u dan in het geheel niet nieuwsgierig om al dat terra incognita te ontdekken? Laat u niet afschrikken door mijn vele vragen. Zolang ik vragen stel, kan ik eigenlijk op uw bewondering rekenen aangezien ik noch blindelings volg, noch precies het tegenovergestelde zeg dan wat u zegt. En toch bestaat u als ‘ander’ voor mij. Ook al bent u al bijna 86 jaar dood.


Bedachtzame groeten,

S. Huysmans - Noorts

0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

We bouwen steden aan rivieren maar als het water stijgt en in onze kelders stroomt, verleggen we vervolgens haar loop. Op de gedregde bedding van de rivier wonnen de kastanjebomen het van de boten. Me

wat we werkelijk willen overhouden uit het verleden is enigszins beperkt zo denkt de uitgebluste actrice die op straat stukken van haar aura verkoopt ooit was er een tijd waarin ze niets liever wilde